Een choreografie overdragen en delen met je dansgroep
Gepubliceerd op
Een choreografie overdragen aan een hele dansgroep zonder dat er onderweg informatie verloren gaat, is lastiger dan het lijkt. Een gefilmde referentievideo, duidelijke notities per blok van 8 tellen, een gedeelde podiumtaal en, voor werk dat je lang wilt bewaren, dansnotatie: verschillende methodes vullen elkaar aan. Deze gids zet die gangbare praktijken op een rij en laat zien hoe dansers hun posities in een groep echt onthouden.
Referentievideo en notities per 8 tellen
De toegankelijkste manier om een choreografie zonder informatieverlies over te dragen, is een geschreven houvast combineren met een gefilmde referentievideo. Concreet schrijf je elk blok van 8 tellen uit met een korte beschrijving van de hoofdbeweging, de richting en het niveau (hoog, midden of vloer). De video is de visuele steun die de onduidelijkheden wegneemt die tekst alleen nooit helemaal afdekt.
Die combinatie van tekst en video werkt omdat ze twee registers samenbrengt. De notities leggen de intentie en de structuur vast (de volgorde van de blokken, de richtingen, de niveaus); de opname toont de echte beweging, met de grootte en de dynamiek ervan. Voor een dansgroep is het bovendien een formaat dat je makkelijk verspreidt: elke danser kan de video zo vaak terugkijken als nodig en de notities erbij pakken om de volgorde van de sequenties terug te vinden.
Om die notities te structureren, helpt het om uit te gaan van de ruimtelijke componenten van een choreografie: de niveaus (hoog, midden, laag), de looplijnen op de vloer (rechte lijnen, diagonalen, zigzags, spiralen, bogen) en de formaties van de groep (lijn, kolom, diagonaal, geometrische vormen zoals het vierkant of de driehoek). Benoem die elementen expliciet, blok per blok: zo verloopt de overdracht veel betrouwbaarder.
Dezelfde podiumtaal spreken
Wil je posities zonder verwarring delen, dan moet de hele dansgroep dezelfde podiumtaal gebruiken. De klassieke valkuil is links en rechts: bedoel je links gezien vanuit de zaal, of links van de danser die naar het publiek kijkt? Dat zijn precies tegenovergestelde kanten. In het Engels spreekt men van “stage left” en “stage right”, en die termen gaan uit van de performer die naar het publiek kijkt: “stage right” is dus de rechterhand van de danser, en dat is links gezien vanuit de zaal. Een toeschouwer leest het podium instinctief andersom, dus spreek af vanuit welk standpunt je telt en zeg het er telkens bij.
Diepte beschrijf je met de voorkant en de achterkant van het podium. De voorkant (het voortoneel) ligt het dichtst bij het publiek; de achterkant (het achtertoneel), afgebakend door de achterwand, ligt er het verst vanaf. Omdat podia vroeger schuin naar de zaal afliepen (een hellend toneel, in het Engels “rake”), is in het Engels de gewoonte gebleven om “downstage” te zeggen voor naar het publiek toe bewegen en “upstage” voor ervan weg bewegen. Bedenk ook dat de volledige speelruimte groter is dan het podium zelf: de coulissen en de ruimte onder het podium horen er ook bij.
Werk je met Franse bronnen, let dan op: daar vertrekt de logica juist vanuit het publiek. Het Frans spreekt van côté cour en côté jardin. Côté cour is de rechterkant van het podium gezien vanuit de zaal, côté jardin de linkerkant gezien vanuit de zaal. (Het klassieke Franse ezelsbruggetje legt de initialen van Jésus-Christ over het podium: J van Jardin links, C van Cour rechts, telkens vanuit de zaal bekeken.) Côté cour valt dus samen met “stage left” en niet met “stage right”: het ene systeem kijkt vanuit het publiek, het andere vanuit de danser. Zeg er daarom altijd bij welk standpunt je bedoelt, dan voorkom je misverstanden. Een groot podium wordt vaak in negen zones verdeeld door de vier richtingen te combineren (upstage/downstage, stage left/right).
Posities samen leren onthouden
Los van alle hulpmiddelen onthouden dansers hun posities doordat ze hun rol begrijpen en op elkaar steunen. Om je goed in een groep te plaatsen, moet je je rol kennen (solist, anker van de formatie of aanvulling), de bewegingen van de anderen volgen om te anticiperen op de timing en de ruimte die je nodig hebt, en zo botsingen vermijden. Zet je je strategisch in de hoeken en benut je de diagonalen, dan ontstaan visueel interessantere lijnen en verklein je de kans dat je andere dansers voor het publiek verbergt.
Coördinatie tijdens een voorstelling loopt ook via non-verbale communicatie: een blik, een glimlach of een klein handgebaar is vaak genoeg om synchroon te blijven. Na elke repetitie loont het om je partners om feedback te vragen over je positie en je timing. Praktisch tijdens het repeteren: je markeringen en posities op de vloer aangeven is een goede gewoonte om het ruimtelijke geheugen te verankeren, al moet je dat per zaal bijstellen.
Ook de woordenschat van compositietechnieken helpt om samen te onthouden, omdat die op elk moment de relatie tussen de dansers benoemt. Unisono betekent hetzelfde doen, op hetzelfde moment, in dezelfde richting (iets anders dan gewoon “samen bewegen”). Bij een canon voeren meerdere dansers dezelfde beweging uit, maar verschoven in de tijd, telkens met een vast interval opnieuw ingezet. Accumulatie voegt bewegingen een voor een toe en begint telkens opnieuw vanaf hetzelfde vertrekpunt (een soort doorfluisterspel in bewegingen). Daarbij komen relaties zoals spiegelen, cascade, dialoog, contact en tillen, en groeperingen (duet, trio, kwartet). Met een webtool als Stancz plaats en bekijk je die formaties in 2D, in 3D en in de Publieksweergave, wat helpt om posities vóór de repetitie voor te bereiden en te delen.
Duurzaam bewaren: dansnotatie
Om een werk voor lange tijd te archiveren, bestaat er gespecialiseerde kennis: bewegingsnotatie (dance notation). Dat is een symbolische weergave van menselijke beweging en van de vorm van een dans, met grafische symbolen, figuren, getekende looplijnen, numerieke systemen of notaties in letters en woorden. Ze wordt vooral gebruikt om choreografische werken vast te leggen en opnieuw op te voeren (restaging). In 1948 was Hanya Holm de eerste Broadway-choreograaf die haar dansscores auteursrechtelijk liet beschermen, voor Kiss Me, Kate.
De twee meest verspreide systemen in de westerse cultuur zijn Labanotation en Benesh Movement Notation. Labanotation (ook Kinetography Laban genoemd) werd in de jaren 1920 ontwikkeld door de Oostenrijks-Hongaarse choreograaf Rudolf von Laban (1879-1958) en geniet nog altijd de voorkeur van wie in niet-klassieke dans werkt. Benesh Movement Notation werd in 1955 bedacht door Rudolf en Joan Benesh en werd vanaf 1956 onderwezen aan de Royal Academy of Dancing. Ze wordt wereldwijd gebruikt voor balletpartituren, terwijl Labanotation eerder dient voor niet-klassieke dans.
Een belangrijke kanttekening: dansnotatie is expertkennis (het terrein van choreologen), geen tool voor het grote publiek. Veel systemen zijn bovendien toegespitst op één stijl en beschrijven andere dansvormen niet goed, wat een universeel gebruik beperkt. Voor een amateurgroep is het dus beter om in de dagelijkse praktijk op video en eenvoudige notities te vertrouwen, en notatie te zien als een professionele methode om werk te bewaren.
Veelgestelde vragen
- Wat is de eenvoudigste manier om een choreografie over te dragen zonder iets te verliezen?
- Combineer een gefilmde referentievideo met geschreven notities: per blok van 8 tellen een korte beschrijving van de hoofdbeweging, de richting en het niveau (hoog, midden of vloer). De tekst legt de structuur vast, de video toont de echte beweging.
- Links of rechts op het podium: hoe haal je ze niet meer door elkaar?
- Zeg altijd vanuit welk standpunt je kijkt. In het Engels gaan “stage left” en “stage right” uit van de performer die naar het publiek kijkt: “stage right” is de rechterhand van de danser, dus links gezien vanuit de zaal. Het Frans redeneert vanuit het publiek: côté cour is rechts gezien vanuit de zaal, côté jardin links (ezelsbruggetje: J.C., Jardin links, Cour rechts). Côté cour ligt dus aan de tegenovergestelde kant van “stage right”.
- Hoe onthoudt een danser zijn plek in een groep?
- Door zijn rol te kennen (solist, anker van de formatie of aanvulling), de anderen te observeren om timing en ruimte in te schatten en botsingen te vermijden, hoeken en diagonalen te benutten, en te steunen op non-verbale communicatie en op feedback na elke repetitie.
- Moet ik Laban- of Benesh-notatie leren voor mijn dansgroep?
- Niet per se. Labanotation (Rudolf von Laban, jaren 1920) en Benesh Movement Notation (Rudolf en Joan Benesh, 1955) zijn instrumenten voor experts, bedoeld om werken te archiveren en opnieuw op te voeren. Voor een amateurgroep volstaan video en eenvoudige notities in de dagelijkse praktijk.
Bronnen
Deze gids is gebaseerd op de volgende bronnen, geraadpleegd tijdens het schrijven.
Lees ook
Referentievideo, notities per 8 tellen, gedeelde podiumtaal en dansnotatie: zo draag je een choreografie over en onthoudt iedereen zijn plek.
Aan de slag